Rapportvergadering (zucht)

26 februari 2011

Ik hoor mezelf elke rapportvergadering weer dingen zeggen als ‘Ik vind hem een typische havo-leerling.’  of een variatie op het thema ‘Hij zou het moeten kunnen, maar hij vertikt gewoon wat te doen!’ Voor de afwisseling gooi ik er ook wel eens een ze-kletst-ook-heel-veel-met-haar-buurvrouw tussendoor.

Keiharde cijfers

Mijn bewijsmateriaal voor al deze dieptepsychologische oordelen is een vrolijk zwart-wit geblokt stuk papier: de cijferuitdraai. Elke vergadering zit ik me dan aan mijzelf te irriteren dat ik na acht weken lessen over de voortgang van een leerling niet veel meer kan melden dan dat cijfer. En wat doe ik dan op die vergadering als dat cijfer bovendien voor iedereen al duidelijk zichtbaar op de lijst staat?

Ouderavond

Op ouderavonden zit je met hetzelfde probleem. Van één van je 250 leerlingen besluiten de ouders dat het tijd wordt om eens met de heer Schuddeboom te praten over de voortgang van hun kind op geschiedenisgebied . De middag voor de vergadering kijk ik dan op de cijferuitdraai. Een onvoldoende is niet ingewikkeld: dan hoef ik alleen maar wat te zeggen over het al dan niet aanwezig zijn van het juiste niveau, de juiste inzet of de leerling zelf (mentaal dan wel fysiek). Het probleem is als er een voldoende op de lijst staat. Wat moet ik dan zeggen? Daar komt nog bij dat in negen van de tien gevallen het kind in kwestie (ik kan het statistisch niet bewijzen, maar toch!) een braaf, stil meisje is.

Zinnige feedback?

Ik zit eigenlijk te wachten op de eerste ouder (of leerling) die zegt: ‘Och kom, wat zegt zo’n cijfer ons nou. Gaat u eens uw werk doen en op een zinnige manier aangeven hoe ons kind er voor staat!’

Hoor ik daar portfolio? Is dat de zoete klank van de woordrapportage? Standards Based Grading, anyone? Straks moet ik nog een heel andere visie op beoordelen gaan ontwikkelen!

Zie ook:

Share

Huiswerkbesprekenblues

25 januari 2011

Eigenlijk zou je elke dag een moment met wat leerlingen moeten praten over hoe het er in de les aan toe gaat. Zo ben ik antwoordvellen in een nieuw licht gaan bekijken. ‘Dan schrijven we de antwoorden sowieso over.’, aldus mijn leerlingen. Het eigen antwoord blijft ietwat verweesd achter, doorgekrast en vergeten. Dat vinden ze zelf trouwens ook nutteloos (en dan toch doen, hè). Soms is het net een toneelstukje (‘De Wonderbaarlijke Illusie van het Leren’). Met mijzelf in de hoofdrol.

Dood paard

Het alternatief is om vragen klassikaal te bespreken. Het voordeel is dat je dan van in elk geval een paar leerlingen kan zien of ze er wat van begrepen hebben. Afgelopen week heb ik 4-havo uitgelegd wat ‘trekken aan een dood paard’ betekent. Nou ja, ze hebben die les in elk geval een nieuwe beeldspraak geleerd. Zelf herkennen ze het probleem. Met verfrissende eerlijkheid zei een meisje dat ze ‘erg lui was en niet zo’n zin had om zelf na te denken’. ‘U vraagt dan en wacht echt tot er een antwoord wordt gegeven.’ In zo’n geval hoor ik mezelf regelmatig iets zeggen in de trant van: ‘voor mijzelf doe ik dit niet hoor, ik weet al die antwoorden wel.’ Het gesnurk van de leerlingen die tegen die tijd uit totale prikkelarmoe al vredig zijn ingeslapen negeer ik dan maar.

‘U kunt toch gewoon het antwoord zeggen.’

Misschien moet er een duidelijker verband komen tussen de oefenvragen en de toetsvragen. Zo zijn mijn 5-havo leerlingen erg gemotiveerd als we examenvragen gaan oefenen. Makkelijke reproductievragen met een nakijkvel laten nakijken? Ze zelf laten kiezen welke van de moeilijkere vragen besproken moeten worden? Niet te veel huiswerk opgeven. Of gewoon helemaal geen huiswerk meer geven. Misschien moeten ze hun huiswerk überhaupt maar eens gaan maken? Differentiatie? Web 2.0? Meer mediteren?

%d bloggers liken dit: